Maak het lettertype kleinerLettertype maatMaak het lettertype groter    Print deze pagina uit
'In België steek ik er boven uit dat het klettert'

Titel:          'In België steek ik er boven uit dat het klettert'
Auteur:     MikaŽl Soinne voor InterVista
Datum:     08-10-2013
Grootte:   4775 woorden

Herman Brusselmans wordt verafgood en verguisd. De Mooie Jonge Oppergod van de Vlaamse Letteren (het zijn niet onze woorden) is van nature een nogal teruggetrokken, verlegen gast (alweer niet onze woorden). Wie de gevoelige Brusselmans wil ontdekken: even geduld tot aan de passages over zijn moeder en zijn vrouw slash ex-vrouw. Wie vooral de fel gebekte Brusselmans aan het woord wil horen: lees rustig verder.

“Ik ben speciaal voor jou opgestaan”, lacht Herman Brusselmans als we plaatsnemen in zijn zetel. “Ik zet al mijn afspraken vanaf 16u, omdat ik om 15u opsta. Ik ga slapen om 7u. Als er iets dringend is om 14u, ga ik misschien wat vroeger slapen. Maar ja, ik leef omgekeerd hè. Het grootste deel van mijn dag is de nacht. Die breng ik alleen door met studiewerk, rondlummelen in mijn kot, ijsberen, naar tv kijken, films volgen.”

En nooit gedacht om het een tijdje vice versa te doen?
Brusselmans: “Dit leven was ooit het omkeren van een ander leven, natuurlijk. Ik heb vroeger gestudeerd en gewerkt. Toen had ik een normaal levensritme. Dat is langzamerhand opgeschoven. Wat later slapen, wat later opstaan. Nog later en later. Tot ik nu deze formule al een jaar of twintig aanhoud.”

In het begin had je inderdaad eerder een burgerlijk leven met een nine-to-five job.
Brusselmans: “Ik leef vooral op mezelf. Ik heb eigenlijk niet veel mensen rond mij. Ik heb geen vriendenkring, geen hobbyclub, geen collega’s waar ik mee samenwerk. Ik leef een redelijk solitair, bij tijden eenzaam leven. Maar ja, dat is een gevolg van wat ik doe. Ik moet alles zelf doen en kan nooit bespreken, vergaderen, overleggen met iemand. Het gebeurt wel eens, met de uitgeverij en zo. Maar ik kan moeilijk tegen jou zeggen: ‘Schrijf jij eens een column deze week’. De meeste mensen kunnen wel eens ziek zijn of zich laten vervangen. Als je zoiets specifiek doet zoals ik, is dat moeilijk. Plus, ik zoek het sociaal contact niet echt op. Ik heb vroeger een caféleven gehad. Maar dat kan alleen als je drinkt. Ik drink al twintig jaar niet meer. En ik ben van nature een nogal teruggetrokken, verlegen gast.”

Had je ook al zo’n solitair leven toen je nog in Brussel bij de RVA werkte?
Brusselmans: “Eigenlijk had ik daar ook een job alleen. Ik zat in een ontspanningsbibliotheek onder de grond en was daar de enige bibliothecaris. De mensen kwamen bij mij boeken ontlenen. Maar dat moest allemaal rap gaan, want dat was binnen de werkuren. Maar daar had ik wel een paar heel goeie vrienden. ’s Middags in Brussel wat zitten zuipen en zo. Maar ook dan zat ik veel alleen. Ik begrijp niet dat mensen altijd bij mekaar hokken. Met hun vrienden continu gaan fietsen, vogelpikken, jeu de boules spelen, samen op reis gaan. Dat is niets voor mij. Ik heb Tania (De Metsenaere), mijn vrouw slash ex-vrouw die nog in mijn leven is en die ik zoveel mogelijk zie. Dat is bijna iedere dag, want zij woont een paar honderd meter verder. Voor de rest heb ik wel een paar vrienden. Trouwens, over vrienden gesproken… (haalt zijn gsm boven) Een vriend van mij heeft gevraagd om iets te gaan drinken. Ik ga hem afzeggen. (stuurt een sms) Voilà.”

Heb je nog een exemplaar van je allereerste werk uit 1982, ‘Het zinloze zeilen’?
Brusselmans: “Ja, ik heb één exemplaar. Hoewel, het is later herdrukt. Ik heb er wel een paar liggen.”

Hoe kijk je terug op dat werk?
Brusselmans: “Positief. Veel schrijvers zeggen: ‘Ik wil mijn eerste boeken vergeten’. Dimitri Verhulst zegt ‘ze mogen niet meer herdrukt worden’. Die jonge gast die je was, moet je een beetje respect geven, hè. Uiteraard evolueer je in je leven en in je werk. Maar ik zal nooit mijn eerste boeken afvallen. Trouwens, het is eeuwen geleden dat ik die gelezen heb. Ik zit niet continu mijn eigen boeken te lezen, natuurlijk. Ik heb er nog wel een idee van wat dat was en wat er in stond. Maar om nu te zeggen dat ik het uit het hoofd ken…”
Wie of wat heeft je uiteindelijk de push gegeven om schrijver te worden?
Brusselmans: “Veel lezen. Boeken lezen en dan denken: ‘Dat wil ik ook eens proberen’. Maar weet je, dat zit er in. Ik gebruik altijd het meest simpele woord voor dat soort dingen, en dat is talent. Dat is niet alleen iets kunnen maar ook alles wat er bij hoort. Dat wil ook zeggen: het doen. Talent komt er op een bepaald moment uit. Waarom ben ik schrijver geworden? Waarom?”
Omdat je het zelf ontdekt hebt, of omdat mensen jou ontdekt hebben?
Brusselmans: “Nee. Want als je begint te schrijven, laat je het nog niet direct lezen. Pas later doen mensen dat. In mijn geval was het mijn eerste vrouw die eens iets las. Als je zelf zegt ‘ik heb talent’ klinkt dat arrogant. Maar dat is bullshit. In feite is dat hetzelfde als zeggen ‘ik heb bruin haar’ of ‘ik heb groene ogen’. Je hebt het of je hebt dat niet. En ik heb dat nu toevallig. (lachje) Ik spreek me daarover ook niet kwalitatief uit. Maar het feit dat ik 60 boeken schrijf, is niet alleen maar om mij efkes bezig te houden, hè. Dan kan ik even goed gaan biljarten. Maar voor biljarten heb ik geen talent. Snap je? Dus ja, ik ben veel beginnen lezen. Ik heb Germaanse gestudeerd. Ten eerste moest ik dan al lezen. Maar dat waren vaak klassieke, historische werken. Door de bibliotheek die ik tot mijn beschikking kreeg op de unief, ben ik alles beginnen lezen wat los en vast zat. Veel mensen die een boek lezen, denken niet direct: ‘Ik ga dat ook eens proberen’. Er zijn er nog te veel die dat wel denken, maar goed. (gniffelt) Niet iedereen denkt dat, ik dacht dat wel. ‘De Avonden’ van Gerard Reve: ‘shit, het moet fantastisch zijn om dat te kunnen doen’. Voilà, en dan begin je. Ik ben ook direct gepubliceerd. Ik sprak daarnet over talent en daar horen verschillende zaken bij, onder andere dat je het full time doet. In het begin was dat uiteraard een zwaar risico. Dat heb ik ook altijd gezegd: je moet er kunnen van leven. Je kan 23 uur per dag schrijven zonder dat iemand het uitgeeft of zonder dat je er een halve euro mee verdient. Bij mijn derde boek, ‘De man die werk vond’, heb ik beslist: nu ben ik schrijver. En dan heeft het nog twee jaar geduurd, en ben ik professioneel begonnen. Dat is ondertussen 35 jaar hè.”

Is dat jouw geluk geweest: dat je meteen gepubliceerd werd?
Brusselmans: “Ja. Waren twee of drie manuscripten afgewezen, dan had ik geweten: ik heb geen talent, want mensen die er verstand van hebben, oordelen dat het niet goed is. Op vijf uitgevers zal er wel minstens één zijn die verstand heeft van literatuur. Als er tien uitgevers tien jaar aan een stuk zeggen ‘sorry makker, we doen het niet’, moet je eens beginnen nadenken.”

Dat is juist. Maar er zijn bijvoorbeeld acteurs die niet voldeden volgens toneelschool Studio Herman Teirlinck, en het toch gemaakt hebben.
Brusselmans: “Ja. Maar ik vind dat er geen enkele talentvolle acteur in België is. Of toch weinig. Maar dat is met schrijvers hetzelfde. Noem eens vijf goede schrijvers uit Vlaanderen.”
Dat ga ik niet doen.
Brusselmans: “Ik ook niet. Want ik kan het niet.”

Meen je dat?
Brusselmans: “Ja. De grote held van iedereen, Dimitri Verhulst… Die gast kan niet schrijven. Ik wil met jou eens zijn boek doorbladeren, als we eens tijd hebben. Dat laatste prulleke, ‘De laatkomer’, is gewoon slècht. 90 procent van alles vind ik slecht. 90 procent van alle voetballers, biljarters, schrijvers, acteurs, muzikanten: ik vind die gewoon niet goed in hun vak. Maar ja, er schiet nog 10 procent over. Daar zit genoeg tussen om je mee te amuseren, hè.”
Waarom zèg je zulke dingen? 90 procent is toch veel…
Brusselmans: “Dat is veel, ja. Ik wil fantastische dingen ontdekken en dan kom je bij die 10 procent uit. In die 90 procent zitten dingen die ‘wel oké’ zijn, maar dat is niet genoeg voor mij.”

Beschouw je jezelf bij die 10 procent?
Brusselmans: “Vaneigens. Ja.”
Ja? Ook al heb je ooit gezegd ‘dat je maar tot de top van de tweede klasse behoort’.

Brusselmans: “Op wereldniveau, ja.”
Ok, dus je bedoelde niet de tweede klasse in België?
Brusselmans: “Nee. In België steek ik er boven uit dat het klettert. (lacht) Nee, laten we eerlijk zijn. In België of in Vlaanderen heb ik wel een wat aparte positie. Noem eens vijf schrijvers die schrijven zoals ik? Ik wil er allemaal niet pretentieus over doen. En ik ben de bescheidenheid zelve. Maar dat is gewoon zo. Dimitri Verhulst kan niet schrijven. Saskia De Coster kan niet schrijven. Yves Petry kan niet schrijven. Noem ze allemaal maar op. De nieuwere generatie moet al eens een prijs winnen voor ze wat verkoopt.”
Als zij niet goed zijn, en jij wel, dan moet je me de redenen eens geven waarom jij wèl goed bent.

Brusselmans: “Ik zou dat moeten doen met de boeken er bij.”
En de zinnen ontleden?
Brusselmans: “Ja. Eigenlijk zin per zin. Tom Lanoye is een goede schrijver. Dat heeft ook te maken met de invloed op de literatuur: wat heb je voor de literatuur gedaan? Tom Lanoye heeft de literatuur een boost gegeven in de jaren ’80. Hij heeft mensen doen lezen, heeft mensen naar het theater gelokt om teksten te horen voorlezen. Hij is daar 24 uur per dag mee bezig. Die weet wat hij wil. Hij leest, hij studeert. Heel die carrière is één brok rock ’n roll, bruisende literatuur. Maar de rest vind ik allemaal slappe kost.”

Heb je veel contact met Tom Lanoye?
Brusselmans: “Te weinig. Want hij zit de helft van de tijd in Zuid-Afrika. Maar we zijn heel goede vrienden.”
 
EX-DRUMMER, EX-ALCOHOLICUS
Even terug naar de beginperiode. De ‘wat als’-vraag: wat als jouw manuscripten niet onmiddellijk werden gepubliceerd?
Brusselmans: “Goh, dat weet je niet hè. Kolonel in het leger. Dat is ook nog bescheiden – want je hebt ook generaals. Nee, ik weet het niet.”

Voetballer worden was te laat op dat moment.
Brusselmans: “Ja. Maar daar is het al te laat voor als je 18 jaar bent. Als je dan niet bezig bent met naar de top te gaan, is het te laat.”

We spraken over talent. Kan je eens vertellen waarom je niet bent doorgebroken in het voetbal?
Brusselmans: “Omdat ik wou studeren en dat ging niet samen – in die tijd was het ofwel prof worden ofwel studeren, niet allebei. En omdat ik niet kan functioneren in groep. Dat is geen talent van mij. Een voetbalteam, club, ploeg, elftal,… daar heb je toch al minstens te maken met 30 mensen. De spelers, de reservespelers, de trainers, de staf, de dokters. Ik heb twee keer proberen functioneren in groep: voetbal en drummen. En dat is twee keer niet gelukt. Ik ben verengd van werk-met-collega’s naar voetbal-met-collega’s naar drummen-met-collega’s tot en met dat ik alleen stond. En dan werkte het wel.”

En een drummer alleen, zonder groep…
Brusselmans: “Dat gaat niet. Plus, voor drummen heb ik geen talent. Ik zag echte drummers bezig zoals die van Prince, en ik dacht: ‘Dat gaat zeer zwaar boven mijn pet. Dat zal ik nooit bereiken’. Daarom ben ik er ook mee gestopt.”

Helemaal gestopt?
Brusselmans: “Ja. Ik had hier een kanjer van een drumstel staan. Maar ik heb die vorig jaar weggedaan, omdat ik een kat in huis had gehaald. Maar die kat was een echte terrorist. Het ging niet met Eddy (zijn hond, MS). Ik heb het drumstel verkocht en de kat weggedaan. Maar het kan zijn dat ik mij nog een klein drumstel koop.”

Mis je het muziek spelen niet?
Brusselmans: “Ja. Ik vind het plezierig om te drummen. Maar wat mij tegensteekt, is dat ik het niet goed kan. Ik doe niet graag dingen die ik niet goed kan. Met als gevolg dat ik eigenlijk niet veel doe. Je kan in jezelf wel zeggen: ‘Jij pretentieuze eikel’. Maar ik zeg wel degelijk dat ik 1000 dingen niet goed kan.”

Je bent ex-alcoholicus. Was je naast een veeldrinker ook een sneldrinker?
Brusselmans: “Tuurlijk. Daarom ben ik gestopt. Al dat gezeik tegen mij, al twintig jaar: ‘Neem één glasje wijn bij je eten en geniet er van’. Genieten… Nog zo’n kutwoord. Je moet mij geen glas wijn geven, twee flessen moet ik hebben. Zuipen tot ik zat ben. Dat was mijn manier van drinken.”

Waarom ben je destijds beginnen drinken?
Brusselmans: “Goh, waarom begin je te drinken… Omdat iedereen begint te drinken, hè. En daarna is dat bij mij een middel geweest tegen de angstaanvallen. Als ik zat was, had ik er minder last van. Maar de dag nadien had ik dubbel last. Als je je echt lam zuipt, heb je geen gevoelens meer. Ook geen angstgevoelens. Maar dan kan je ook niet meer teder en seksueel presteren, enzovoort. Als ik in die periode continu last had van angstaanvallen, wou ik van de wereld zijn.”

En ooit de oorzaak achterhaald van die angsten?
Brusselmans: “Weet je, als je bij therapeuten gaat, beginnen die allemaal over je jeugd. ‘Heb je klop gehad van je vader als je drie jaar was?’ Ja, waarschijnlijk wel. Weet ik veel. Maar help mij nu. Ik heb nu last. Fysiek, psychisch. Geef mij iets. Ik ben het beste geholpen met pillen, met de chemie.”
Hoe lang heeft die angstperiode geduurd?
Brusselmans: “Potentieel is dat nog bezig. Het is voor de rest van mijn leven. Dat is ook iets waar je mee geboren wordt. Ik heb het nu onder controle. Kijk, mijn pillen staan hier iedere dag klaar om te slikken. (wijst naar de salontafel, MS)”

Het is dus niet gegaan zoals stoppen met drinken?
Brusselmans: “Stoppen met drinken heb ik op mezelf gedaan. Ik ben wel zes weken moeten afkicken. Drinken is een verslaving, net als roken. Maar die twee dingen zitten buiten jou. Angst zit in jou. De structuur van je karakter, je persoonlijkheid, genetica…”

Zit het in de familie?
Brusselmans: “Ja. Mijn moeder had er ook last van.”

En nooit over gepraat met je moeder?
Brusselmans: “We hebben daarover gepraat, ja. Maar in het leven van mijn moeder was geen ruimte voor psychiaters. Mijn moeder is gestorven door een nierziekte die veroorzaakt was door Poeders Mann: poedertjes tegen de hoofdpijn die je kon krijgen bij de kruidenier. Mijn ma was er aan verslaafd. Ze gebruikte het tegen alle gevoelens die angst teweeg brengen. Haar nieren zijn er aan kapot gegaan. En achteraf, in de jaren ’80, heeft men ontdekt dat die poeders dodelijk waren. Het is dan ook verboden.”

Mensen hebben vaak het idee: ‘Die Brusselmans toetert wat rond. Hij is vaak een norse cynicus’. Volgens mij is het tegendeel waar.
Brusselmans: “Weet je, als je als schrijver naar buiten komt en je krijgt een bepaald imago… Je kan ook niet zeggen: zo ben ik helemaal niet. Want waarom zou je dat anders tot uiting laten komen? Dat zou pure fake zijn. Het norse en cynische is een onderdeeltje van mij. Maar ik ben niet alleen dat. Ben je dat wel, dan ben je ofwel psychopaat of moet je behandeld worden. Ik heb waarschijnlijk een stuk van een psychopaat in mij, een stuk ook van een misogyn, van een misantroop. Maar ik heb ook een stuk in mij van een vrolijke, toffe jongen.”

Hoe zie je zelf de evolutie in je oeuvre? Ik heb de indruk dat je steeds minder autobiografisch schrijft.
Brusselmans: “‘Mogelijke Memoires’ van begin 2013 was nog voor een groot stuk autobiografisch. Maar ik ben nooit echt een autobiograaf geweest. Kijk, de basis van wat ik gebruik in mijn boeken is de simpele werkelijkheid: ik leef in Gent, in een huis, met een vrouw of zonder vrouw, met een hond, ik zie iets, er gebeurt dit of dat. Maar daar laat ik mijn fantasie op los. Daar doe ik mee wat ik wil. En daar is het grote middel de taal. Dat is mijn grote instrument. Ik ga geen science fiction schrijven of totaal onbegrijpelijke lulkoek. Maar het zit er allemaal wat tussen. Vandaar zeg ik, in alle bescheidenheid: noem vijf schrijvers die doen wat ik doe. Je vindt ze niet. De meesten vertellen alleen maar een verhaal.”

Een plot dus. En daarvan vertelde je al in een eerder interview ‘dat je geen plot kan schrijven’.
Brusselmans: “Goh, ik ben niet zot van een plot. Ik vind dat dat niet hoeft. In de pikorde van wat in een roman belangrijk is, staat dat totaal niet bovenaan. Dat is trouwens heel precair bij een roman of een film: op het einde weten ze vaak niet wat ze met hun materiaal moeten doen. ‘Hoe moet het eindigen?’ Ik speel met alle genres. Ik heb de roman bestudeerd en allerlei soorten romans veelvuldig gelezen. Ik weet dus wat een roman is. En ik gebruik de wetten van een roman om daar iets mee te doen: er mee bulshitten, het op zijn kop zetten, parodiëren.”

Maar een echte spanningsboog creëren, zit dat in jouw stijl?
Brusselmans: “Een spanningsboog… Spanning, wat is dat? Eigenlijk moet je iedere zin van je roman spannend vinden. Je aan de helft van het boek afvragen ‘wie heeft de moord gepleegd?’: dat is spanning. Met dat soort spanningen ben ik niet bezig. Ik heb nu een detectiveroman geschreven. Die is al af en komt volgend jaar uit. Er worden twee moorden gepleegd. En daar vraag je je effectief wel af: wie zou de moordenaar zijn? Maar als dat de belangrijkste vraag is bij het lezen van het boek, heb je dat boek niet begrepen. Of is dat geen boek voor jou. Dan moet je maar al die thrillers uit Zweden en Noorwegen lezen.”
Tien jaar geleden vertelde je me over jouw stukjes in Humo: ‘Als ik ze niet in één keer schrijf, gooi ik het in de prullenbak’. Is dat nog altijd zo?
Brusselmans: “Ja. Er is eigenlijk niets veranderd. Al je vragen van tien jaar geleden kan je gewoon recycleren. (lacht)”

Dat betekent dat je tien à twintig stukjes op stapel liggen hebt die je naar Humo doorstuurt?
Brusselmans: “Ik schrijf elke week een nieuw stukje. Ik heb er wel wat in reserve liggen, inderdaad zo’n twintig à dertig. Die hou ik voor als ik eens ziek word of zo. Voor mijn column in Het Laatste Nieuws kan dat niet. Want dat is gebonden aan de actualiteit.”
 
OFFENSIEF EN AGRESSIEF SCHRIJVEN
Ik wil het kort hebben over de zaak-Demeulemeester. Je moest modeontwerpster Ann Demeulemeester een schadevergoeding van 100.000 frank betalen. In je roman ‘Uitgeverij Guggenheimer’ had je volgens de rechtbank ‘haar reputatie en integriteit’ geschonden. De roman werd tijdelijk uit de rekken gehaald, maar mocht later terug de markt op. In alles wat ik nadien van jou gelezen heb, blijkt deze zaak toch wel een impact gehad te hebben bij jou.
Brusselmans: “Ja. Dat is niet plezierig hè? Ten eerste: het boek wordt verboden. Ten tweede: je hebt een proces dat geld kost. Ten derde: dat kost tijd en energie. Advocaten, gerechtshoven, processen en zo, blijf daar echt van weg. Dat is één ellende.”

Heeft het je voorzichtiger gemaakt? In de mate dat als je aan het schrijven bent in jouw achterhoofd…
Brusselmans: “(onderbreekt) Absoluut, ja. Iedereen kan zeggen: ‘Ann Demeulemeester heeft dat proces aangespannen? Ik ga dat ook eens doen’. Ik schrijf nog wel offensief, soms op het randje van agressief. Maar toch minder dan vroeger. Als ik nu bekijk wat ik voor dat proces soms geschreven heb, in het licht van wat er later gebeurd is, denk ik: ‘Shit, dat ik niet eerder een proces gehad heb’.”

Waaraan denk je dan zoal?
Brusselmans: “Aan verschillende dingen. Ik heb ooit Rudy Vandendaele een tijd vervangen in de Humo voor ‘Dwarskijker’. Dat was echt heel ruige kost. ‘Die vuile janet moeten ze doodslaan met een voorhamer’. Tv-programma’s echt de grond inboren, plus het uiterlijk aanpakken van mensen. Wat met Ann Demeulemeester ook gebeurd is. Ik durfde toen alles. Er waren toen echt geen grenzen. Die grenzen zijn er nadien wel gekomen. Weet je, je wordt ook wat kalmer en zo.”

Er is in die periode ook een stuk in De Morgen verschenen van Humo-journalist Wilfried Hendrickx. Hij haalde zwaar uit naar jou. Heeft jou dat geraakt?
Brusselmans: “Ik ben niet agressief. Maar Wilfried Hendrickx is de enige gast die moet oppassen dat ik op zijn muil sla. Je kan inderdaad offensief en agressief zijn en mensen willen aanpakken. Maar hij is een zeer gefrustreerde opportunist die gewacht heeft tot hij mij eens kon pakken, op zijn manier dan. En die dan zegt: ‘Zijn vader was veehandelaar en neukte met zijn varkens’. En dat niet alleen. Dat kan ik nog laten passeren. Maar ook: ‘Hij heeft de dood van zijn moeder gebruikt om zijn boekjes te vullen’. Van mijn moeder moeten ze afblijven. Die gast moet dus oppassen als ik hem tegenkom.”

Je bent hem nooit tegengekomen?
Brusselmans: “Nee. Ik heb een geschiedenis met die gast. Hij had mij al vijf keer geïnterviewd. Die is in mijn huis gekomen. Hij zei dat hij ook romans wilde schrijven. Hij heeft dat ook geprobeerd. Dat is allemaal mislukt. En die gast heeft een zeer grote pik op mij. Puur uit frustratie, omdat ik kan leven van mijn schrijven en hij niet. Op zijn zeventigste, na prostaatkanker en zo, moet hij nog slechte artikels voor Humo schrijven.”

Hetzelfde blad waar jij een wekelijkse column hebt.
Brusselmans: “Ja. Ik verdedig Humo. Ik ga niet in mijn eigen nest kakken. Absoluut niet. Ik vind Humo nog altijd het beste blad van Vlaanderen. En die Hendrickx kan op zijn manier wel redelijk schrijven, op Humo-niveau. Maar goed, iedereen heeft wel iemand in zijn leven waarvan hij zegt ‘die sla ik op zijn bakkes als ik hem tegen kom’. Waarschijnlijk ga ik het zelfs niet doen, want ik heb nog nooit iemand op zijn bakkes geslagen. Laten we het kort samenvatten: ik ben dat niet vergeten. Er is veel over mij geschreven, en veel negatief – ‘Brusselmans met zijn pokdalig bakkes en zijn lelijke kop’ – maar ik weet niet wie dat geschreven heeft en wanneer en waar. Maar dat van dienen Hendrickx is blijven hangen.”

Maar los van jullie voorgeschiedenis, was zijn punt: ik ga Brusselmans terugpakken op wat hij altijd doet. Hij probeerde jouw stijl te parodiëren.
Brusselmans: “Parodiëren? Mijn stijl is al parodie. Heel dat stuk over Ann Demeulemeester was één parodie. Maar ik ga niet iemand pakken op zijn dode moeder. Noem 1000 dingen waar je mij niet op kan pakken. Maar mijn dode moeder, dat blijft hangen.”

En collega’s die zeggen dat je niet goed schrijft? Of dat je altijd hetzelfde schrijft?
Brusselmans: “Goh, dat kan mij niet schelen. Ook omdat dat niet waar is. Noem twee eender welke boeken en leg ze naast elkaar. Bovendien, moet ik schrijven zoals Tom Lanoye? En moet Lanoye schrijven zoals Dimitri Verhulst? Verhulst heeft het geprobeerd. Hij schreef ‘De helaasheid der dingen’, een kleine klassieker. En ineens komt hij daar op de proppen met ‘Godverdomse dagen op een godverdomse bol’. ‘Eens iets anders’. Maar hij valt compleet door de mand. Hij kan alleen maar de zoveelste versie van ‘De helaasheid der dingen’ schrijven.”

Wat schrijf je het liefst: die korte stukjes of een roman?
Brusselmans: “Allebei. Dat is 100 meter en de marathon.”
Je wordt ‘de specialist van de korte afstand’ genoemd. Omdat je misschien nog beter die korte stukjes schrijft?
Brusselmans: “Ja. Maar die korte stukjes is anders. Dat is in één ruk. Aan een roman ben je maanden bezig. Het zijn twee disciplines. Er zijn veel columnisten die een roman proberen te schrijven en veel romanschrijvers die een column proberen te schrijven. En dat lukt dan niet.”

En jij wil zeggen: ik kan beide.
Brusselmans: “Ja. Je lokt nu weer uit dat ik pretentieus ben. (lacht) Maar het is gewoon zo. Noem nog eens iemand die dat kan? Hugo Camps: al zijn hele leven columnist, dagelijks in De Morgen. Nooit een roman geschreven. Hugo Claus: nooit een column geschreven. Hugo Camps is een goede columnist en Hugo Claus is Hugo Claus.”

Christophe Vekeman?
Brusselmans: “Voilà. Dat is iemand die de twee doet, en allebei redelijk goed. (droog:) Het is ook een maat van mij. Ik vind Vekeman nog altijd de meest miskende schrijver van Vlaanderen. Wat ik net ook zei over Tom (Lanoye): Christophe Vekeman ademt literatuur. Hij is daar mee bezig, leest veel, schrijft veel. Het wordt tijd dat hij eens au sérieux genomen wordt, ook door het publiek. Maar dat is een factor waar je totaal geen invloed op hebt. Ik wil lezers bereiken.”

Met hoeveel lezers ben je tevreden?
Brusselmans: “Ik ben tevreden – of ik moet tevreden zijn – met 100.000 lezers op een jaar. 20.000 kopers maal vijf, want één boek wordt door verschillende mensen gelezen.”

Is jouw lezerspubliek gegroeid?
Brusselmans: “Het is gegroeid tot 130.000 en dan is het afgenomen. Na 9/11 en de nieuwe crisissen: de economische crisis, het boek als luxeproduct, de opkomst van de iPad enzovoort. Sindsdien is het een serieus stuk naar beneden gegaan. Ik ben een seller, geen bestseller. Twee boeken per jaar, telkens 20.000 verkopers, nog een paar oudere boeken, in totaal per jaar zo’n 50.000. Dat is niet slecht.”

Je bent niet vies van marketing, mag ik wel zeggen.
Brusselmans: “Ik doe er aan mee, ja. Ik wil dat mensen op zijn minst weten: er is een nieuw product. Want een boek is ook een product, je kan daar echt niet buiten. Je kan niet leven van de literatuur als je 100 boeken verkoopt. Van sommige full time schrijvers denk ik: hoe betalen die hun huishuur? Yannick Dangre, Jeroen Olyslaegers en Yves Petry bijvoorbeeld. Die gasten schrijven om de vijf jaar een boek, schrijven geen column, treden weinig op. Ik weet hoe ze hun huishuur betalen: door subsidies van de staat. Ik heb nooit een bal subsidies gehad. Vekeman weigert ook pertinent om subsidies te hebben. Ik heb weinig vaste kosten. Mijn huis is afbetaald.”

En je hebt veel geld op je spaarboekje?
Brusselmans: “Ja. Veel. Ik heb een buffer.”

En ga je daar ooit iets mee doen?
Brusselmans: “Tania vraagt dat ook altijd. Maar ik heb zeer weinig behoeften. Ik heb een moto van 9.000 euro waar ik alweer vier jaar mee rijd. Ok, voor Tania heb ik een Porsche gekocht en ik heb een appartement in Knokke. Maar ik was die Porsche beu en heb het verkocht. Het geld heb ik aan Tania gegeven en zij heeft er nu een Volkswagen Caddy mee gekocht. Ik zie graag mooie dingen. Maar ik moet het niet per se in huis hebben.”
En dus staat jouw geld op een rekening, ad vitam eternam.
Brusselmans: “Tot ik sterf, hè. En dan gaat het naar Tania. Ik heb geen kinderen.”

Hoe gaat het nu met jou en Tania? Ik zag op de deurbel nog altijd haar naam staan, netjes naast ‘H.B.’
Brusselmans: “(lacht) Ze is drie jaar geleden verhuisd. Wij zijn geëvolueerd naar een stevige, niet kapot te krijgen vriendschap, waarbij ons verleden als koppel nog een grote rol speelt. Tania is de persoon die mij het beste kent, de persoon die op mijn planeet zit. Ik moet maar een bepaalde blik in mijn ogen hebben en ze weet al hoe ik mij uitdruk. En hoe die formule is – getrouwd, niet getrouwd, samenwonend, niet samenwonend, seks en geen seks, kinderen of geen kinderen – dat is in feite het punt niet. Het punt is dat Tania het goed moet hebben, dat ik alles voor haar wil doen, dat ze in mijn leven is op de één of andere manier. Zij is de persoon in mijn leven die ik nooit meer zal tegenkomen. En ik zit wel te daten met jonge wijvekes van 25 of jonger zelfs, met leuke tietjes en strakke beentjes en een toffe kop, maar het is mijn ding niet. Ik doe trouwens niets met die jonge vrouwen. Ik ben helemaal geen dekstier. Trouwens, die jonge vrouwen willen met mij ook niets doen. Wel met jonge, mooi goden. Maar ik heb plezier in de omgang met hen. Dat is voor mij voldoende.”

Wat mogen we op jouw grafzerk schrijven?
Brusselmans: “‘Hij schreef te weinig boeken’.”